Gentle Teaching

 

kwal-van-leven

 

De methoden

Binnen de methodiek onderscheiden we een aantal methoden of technieken

 

Herkaderen

In de relatie spelen allerlij beelden een rol. Als dit beelden zijn die een goede relatieontwikkeling in de wek staann is het belangrijk dat we er bewust aan werken om deze beelden te vervangen door beelden die de relatie ondersteunen. Dit bewust veranderen van de beelden wordt herkaderen genoemd.

 

We hebben beelden over de persoon en onszelf; ook de persoon heeft beelden over ons en zichzelf. Deze beelden kunnen de ontwikkeling van de relatie danig in de weg zitten als ze negatief gekleurd zijn.

Negatieve beeldvorming ten opzichte van de persoon ontstaat vaak door:

  • kijken naar het gedrag en de eventuele hinder die dat oplevert voor de omgeving
  • onvoldoende inzicht in de oorzaken van het gedrag
  • onvoldoende inzicht in  een eventuele disharmonische ontwikkeling van de persoon
  • onvoldoende inzicht in de gevolgen van kwetsbaarheden en eventuele trauma’s
  • het veronderstellen dat de persoon negatieve intenties heeft
  • afkeer die we hebben ten aanzien van eigenschappen van de persoon waar hij niets aan kan doen

Het is belangrijk dat we er bewust aan werken onze beeldvorming te onderzoeken en in positieve richting om te buigen. Dat maakt het voor onszelf leuker om de persoon te begeleiden en het helpt de relatieontwikkeling. 

 

Ook beeldvorming over onszelf kan de relatieontwikkeling in de weg zitten. Bijvoorbeeld als we denken dat we de persoon altijd de baas moeten zijn en als we vinden dat de persoon naar ons moet luisteren.

 

Negatieve beeldvorming van de persoon ten opzichte van ons en de manier waarop we onze handen, ogen, stem en aanwezigheid gebruiken, hoeft niets te maken te hebben met hoe we feitelijk handelen en met onze bedoelingen. Het is meestal veroorzaakt door de combinatie van persoonlijke kwetsbaarheden en levenservaringen met anderen. Om deze beeldvorming om te kunne buigen zullen we heel intentioneel liefdevol en veilig moeten handelen in het contact met de persoon.

 

Een persoon kan ook een negatief beeld/beleving over zichzelf hebben. Dit kan zich uiten in onzekerheid, verwaarlozing van zichzelf en zelfs tot automutilatie. Ook het ‘uitlokken’ van negatieve reacties bij anderen kan onbewust tot doel hebben om een negatief zelfbeeld bevestigd te krijgen. Als je niets hebt om je aan vast te houden, kan dat nog erger zijn dan je tenminste vast te kunnen houden aan het feit dat je zo slecht bent dat iedereen lelijk tegen je doet. Je weet dan waar je aan toe bent.

 

De beeldvorming van een persoon ten opzicht van ons of zichzelf is doorgaans niet constant, maar kan door conditionering gekoppeld zijn aan bepaalde situaties of gevoelens. ‘Als ik me ontspannen voel zijn de begeleiders aardig, maar als ik gespannen ben zijn ze ineens onaardig’. Deze wisselende beelden zijn veroorzaakt door hoe in het verleden op het gedrag dat voortkomt uit de spanning is gereageerd. Dit is natuurlijk vervelend, want juist als hij gespannen is, heeft hij het extra hard nodig dat hij zich bij ons veilig en geliefd kan voelen.

 

Delen

Het leven van sociale wezens bestaat uit delen met elkaar. Delen van de ruimte waar je samen in bent, delen van aandacht, delen van speelgoed of andere bezittingen, delen van het eten, samen spelen of werken, enz. Als iemand in een egocentrische fase van het leven is, is delen erg moeilijk. Het sterkst zie je dat bij peuters en pubers. Ze zijn vooral bezig met hun eigen ‘ik’.

 

Kunnen delen is de basis voor sociaal functioneren en het is belangrijk voor de ontwikkeling van een zelfbeeld dat gebaseerd is op de eigenschappen van de mens als sociaal wezen. Het is daarom belangrijk dat voldoende aandacht aan besteed wordt aan het leren delen.

 

Het is natuurlijk ook voor begeleiders zelf prettig als personen kunnen delen. Als personen niet geleerd hebben de aandacht te delen, kan je zes mensen om je heen hebben die allen op het zelfde moment je aandacht willen en van slag raken als je dat niet kan geven.

 

De basis in het leren delen is dat de persoon de zekerheid moet hebben dat hij niet met lege handen komt te zitten of dat hij het gevoel heeft dat er voor hem geen plek meer is. Voor je begint met leren delen, moet de persoon eerst ervaren dat hij er zeker van kan zijn dat hij krijgt wat hij wil / nodig heeft. Daarna kan je langzaam beginnen met leren delen. Dat kan op verschillende manieren die veel lijken op hoe we peuter leren te delen

een speeltje even afpakken en weer teruggeven

even de aandacht voor de persoon loslaten en naar een ander kijken

een ander in het spel of de activiteit betrekken

enz.

 

Oprekken

Met oprekken bedoelen we dat we de situatie bewust voor de persoon steeds iets moeilijker maken. Het is uiteraard geen doel op zich om het de persoon moeilijk te maken, maar we doen het om hem sterker in het leven te laten staan en hem te laten ervaren dat we er onvoorwaardelijk voor hem zijn.

 

In de 1ste dimensie bestaat het oprekken eruit dat we proberen steeds iets langer en intensiever bij de persoon te zijn zonder dat dit voor hem onveilig is.

 

In de 2de dimensie betekent  het oprekken dat we proberen de wederkerigheid te ontlokken. We beginnen met een glimlach te vragen, een hand, even helpen, enz. In de 3de dimensie leren we de persoon om te gaan met onze afwezigheid en zijn we meer ‘opvoedend’ bezig door niet meer altijd direct te geven wat de persoon vraagt. Hiermee leren we hem met teleurstelling omgaan. In de 4de dimensie zal de persoon in steeds complexere situatie moeten leren delen.

  • Vormen van oprekken die we kunnen onderscheiden zijn:
  • ontlokken van steeds meer wederkerigheid (teruglachen, helpen, enz)
  • even wachten en ‘genoeg is genoeg’
  • delen van zaken die steeds moeilijker zijn om te delen
  • rust vinden in het contact bij oplopende spanning / energie
  • omgaan met de afwezigheid van de begeleider

Bij de eerste vier vormen van oprekken is het belangrijk dat er altijd contact blijft. Als je de druk te hoog hebt opgevoerd waardoor de persoon ‘uit het contact’ gaat, ben je te ver gegaan. Zodra je voelt dat het te moeilijk gaat worden, maak je de druk minder en het contact intenser.

 

Bij de vijfde vorm gaat het wel om het tijdelijk verbreken van het contact, maar je doet dit zo geleidelijk dat je het contact weer gemakkelijk kan herstellen als het te spannend wordt voor de persoon.

 

Dialoog

De dialoog is een techniek waarbij het vooral gaat om het uitwisselen en erkennen van gevoelens. De dialoog hoeft niet altijd verbaal te zijn, het kan ook non verbaal. Een aantal punten zijn belangrijk bij de dialoog:

  • je vertrekpunt is waar de persoon is en hoe hij zich voelt. Een dialoog is niet dat jij de persoon vertelt wat hij moet doen en vervolgens vraagt wat hij ervan vindt.
  • je hebt geen oordelen over wat de persoon aangeeft. Wat de persoon ook zegt, je pakt er consequent de positieve elementen uit op en probeert die te versterken.
  • het is daadwerkelijk een dialoog. Je nodigt niet alleen de persoon uit zichzelf te laten zien, maar jij laat ook aan de persoon zien wie jij bent en wat je meemaakt.
  • Je gaat het praten over onprettige gevoelens van de persoon niet uit de weg, maar je blijft er ook niet in hangen. Je laat de persoon zich gezien en gehoord voelen, maar je probeert ook andere kanten van het leven te laten ervaren
  • Als de dialoog ‘zwaar’ dreigt te worden kan je nadrukkelijk stemmingswisselingen bevorderen door grapjes te maken of afwisselend over leuke en minder leuke dingen te praten.

De vorm van de dialoog kan verschillend zijn: verbaal of nonverbaal, samen liedjes zingen, een verhaal vertellen en daarover doorpraten, eigen ervaringen vertellen waar de persoon iets mee kan, enz. Je kan ook samen tekenen en daarover praten. Het opschrijven van ‘steekwoorden’ van wat de persoon zegt kan een hulpmiddel zijn om de dialoog wat te structuren en om te voorkomen dat de persoon zichzelf verliest in zijn verhaal. Hij leert dan even rust te nemen, terwijl je de woorden opschrijft.

 

De toon in de dialoog is natuurlijk belangrijk. Deze moet aansluiten bij de zelfbeleving van de persoon. Tegelijk moeten de woorden echter ook aansluiten bij zijn cognitieve vermogens en moet de gevoelsinhoud aansluiten bij zijn emotionele en psychische mogelijkheden.

 

Er wordt vaak geadviseerd vooral met open vragen te werken, maar dat kan ook bedreigend zijn. Vooral bij een ‘waarom’ vraag.  Zo’n vraag bedreigend overkomen als de persoon het antwoord niet precies weet of onder woorden kan brengen.  Of als hij het gevoel heeft dat je mogelijk negatief oordeelt  kan overkomen, alsof hij verantwoording moet afleggen over zijn handelen. Beter is dan om zelf het mogelijke antwoord al in te vullen - op een manier die duidelijk maakt dat er geen veroordeling in zit –  en te kijken of de ander dit wel of niet kan bevestigen. Bijvoorbeeld: ‘ goh, dat komt zeker doordat je je rot voelde he, ik kan me voorstellen dat dat vervelend voor je was’.

Share

Copyright © 2013  Gentle Teaching Netherlands