Gentle Teaching

 

kwal-van-leven

 

Gevoelens en emoties van de begeleider

Liefdevol voelen

De begrippen liefde en liefdevolle gevoelens zijn voor sommigen van ons zwaarbeladen begrippen. Sommigen gebruiken hier liever andere woorden voor. Maar raken we daarmee nog wel de essentie van gentle teaching?

In de beginjaren van gentle teaching werden de woorden liefde en liefdevol nog niet zo nadrukkelijk gebruikt, omdat het bij sommigen vragen of zelfs weerstand opriep. In plaats van deze woorden gebruikten we de termen gewaardeerd voelen en waardering teruggeven. Natuurlijk klopt het wel dat iedereen zich gewaardeerd wil voelen en dat het prettig is als je waardering kan uiten naar anderen. Maar geleidelijk merkten we dat we met deze begrippen de essentie niet raakten. Waardering krijgen of geven zijn emotioneel nog tamelijk neutrale begrippen. Je kan best waardering naar iemand uiten, zonder een band met die persoon te voelen. En dat is juist waar het met gentle teaching om gaat. Het gaat er uiteindelijk om of de ander zich geliefd voelt. En om hem dat gevoel te geven, is de belangrijkste voorwaarde dat je zelf liefdevolle gevoelens voor de ander hebt. Gentle teaching is geen 'methode die je doet'. Het is een manier om in het contact met anderen tot uitdrukking te brengen wie en wat je bent.
Wat verstaan we onder liefde?

Met liefde en liefdevol bedoelen we binnen gentle teaching dat je je persoonlijk verbonden voelt met de ander en dat je vanuit die verbondenheid doet wat je kan om te zorgen dat het die ander goed gaat. De essentie van de verbondenheid is dat deze gebaseerd is op warme gevoelens voor de ander. Liefde en liefdevol heeft dus niets te maken met verliefdheid of houden van. Het gaat om een meer universele vorm van liefde, die bijvoorbeeld in de meeste religies beschreven worden. Je hoeft echter geen religie aan te hangen om deze vorm van liefde voor anderen te voelen en tot uitdrukking te brengen in de manier waarop je de relatie met de ander invult en hoe je de ander helpt als hij of zij je hulp nodig heeft. We hebben allemaal wel de ervaring dat we ons geraakt voelen als iemand in onze nabijheid ineens ziek wordt of als hem iets anders overkomt waardoor hij zich verdrietig, angstig of onzeker voelt. We leven dan met de ander mee, maar gaan niet bij de pakken neerzitten. We gaan over tot handelen en we bieden aan de ander onze ondersteuning aan. Niet om daarvoor een bedankje te krijgen, maar om de ander te helpen.

Moeten we voor iedereen deze gevoelens ontwikkelen?
Maar eerst de vraag of we voor iedereen deze gevoelens wel moeten ontwikkelen. Hoewel het misschien leuk is als je voor iedereen deze gevoelens zou kunnen hebben, is dat wellicht wat veel gevraagd, Geen mens zal deze gevoelens voor iedereen in zijn omgeving hebben. Dat is ook niet nodig. Gelukkig heeft iemand die jij misschien niet mag in zijn of haar omgeving meestal wel anderen bij wij hij of zijn zich geliefd voelt. Hij krijgt dan langs die weg wat hij nodig heeft. Maar hoe zit dat met de cliënten voor wie je werkt? Hebben al deze cliënten in hun dagelijks leven mensen om zich een bij wie ze zich geliefd en veilig voelen?

Als we goed kijken, zien we dat vel mensen met bijzondere kwetsbaarheden in de relatie met hun dagelijkse begeleiders geen gevoelens van companionship ervaren, terwijl we zeggen dat iedereen hier wel behoefte aan heeft. Het is natuurlijk al winst als de persoon met n van de teamleden companionship ervaart, maar het zou nog prettiger voor hem zijn als hij het bij alle teamleden ervaart. De cliënt maakt immers niet het dienstrooster. Anders zou hij alleen de teamleden inplannen bij wie hij zich veilig en geliefd voelt. Dat betekent dus dat als we vinden dat iedereen in wezen behoefte heeft aan gevoelens van companionship, het vanuit professionele invalshoek nodig is deze gevoelens ook voor alle cliënten te ontwikkelen. In elk geval om te besluiten dat we dit voor iedereen willen en er ook ons best voor te doen.
Kunnen we voor iedereen deze liefde voelen?
Deze gevoelens van liefde en het daarop volgend handelen komen spontaan op bij mensen met wie we een persoonlijke, liefdevolle band voelen. Dat is een teken dat we de kwaliteit om ons vanuit liefde met anderen te verbinden in ons hebben. We hoeven het dus niet te leren. We moeten ontdekken waarom we het voor de ene persoon spontaan kunnen voelen en voor een ander niet. Als we er achter zijn wat dat is, is het de kunst om datgene wat ons afhoudt van liefdevolle gevoelens los te kunnen laten. Er zijn verschillende manieren waarop we dit kunnen doen.
Zie de ander als iemand die je dierbaar is.
De eerste manier is door de ander te zien als iemand die je dierbaar is. Voor je dierbaren krijg je immers spontaan de liefdevolle gevoelens. Als je zelf kinderen hebt, kan je proberen je voor te stellen hoe het zou zijn als de cliënt waar je het moeilijk mee hebt je kind zou zijn. Wat zou je je kind gunnen? Als je geen kinderen hebt kan je proberen je voor te stellen dat de ander misschien je broer of zus is. Stel je voor dat de cliënt van wiens gedrag je last hebt, wat zou je dan voor hem of haar willen? Zou je willen dat het gedrag gestraft wordt, of zou je willen dat hij liefdevol gesteund wordt.
Leer loslaten.
Een tweede manier om liefdevolle gevoelens voor een cliënt te kunnen ontwikkelen begint bij leren loslaten. We houden vast erg vast aan allerlei beelden, verwachtingen, overtuigingen, waarden en normen, enz. Als de cliënt iets doet wat hier niet in past, kunnen we geïrriteerd raken. Vasthouden aan onze eigen overtuigingen betekent dat we teveel met onszelf bezig zijn en te weinig met de cliënt. Het is beter als we ons meer richten op waar de cliënt zich prettig bij voelt en waar hij verder mee komt in het leven. Dat wil niet zeggen niet dat wat we vinden of waar we in geloven niet belangrijk meer is.

Het wil hooguit zeggen dat het er op dit moment in het contact met de cliënt niet toe doet. We kunnen bijvoorbeeld op grond van onze waarde en normen vinden dat het niet juist is dat er geslagen wordt. Als de cliënt toch iemand slaat, gaat dat dus in tegen onze waarden en normen en kunnen we vinden dat we de cliënt moeten straffen voor zijn gedrag. Als we echter ook weten dat de cliënt niet slaat vanuit een bewuste doordachte keuze, maar vanuit een impuls, kunnen we ook zien dat hij niet in staat is zich aan onze normen en waarden te houden. Dat betekent dat we het nog steeds belangrijk kunnen vinden dat er niet geslagen wordt, maar dat we dat om dit moment even opzij kunnen zetten, omdat we weten dat de niet in staat is op basis van positieve afwegingen zich aan deze norm te houden. We moeten deze norm - er mag niet geslagen worden - voor dit moment dus even loslaten, maar het blijft nog steeds wel een maatschappelijk zinvolle norm.

Onderzoek je eigen gevoelens.

Een derde manier is door je eigen gevoelens voor de persoon te onderzoeken en te kijken waar deze door veroorzaakt worden. Je zou een viertal gevoelens en de oorzaken daarvan op papier kunnen zetten. Deze gevoelens zijn:

  • waar voel je plezier en vreugde door
  • waar maak je je zorgen over
  • wat irriteert je of maakt je boos
  • waar voel je je machteloos over

Je kan een formulier downloaden waarop je deze gevoelens en de oorzaken kan beschrijven.
Als je inzicht hebt in je gevoelens, kan je hiermee gaan werken. Vreugdevolle gevoelens zijn natuurlijk het prettigst. Soms hebben we zo'n moeite met een cliënt dat er nauwelijks momenten zijn waarop we ons vreugdevol voelen door zijn aanwezigheid. Als dit vak leeg blijft, ga dan eens met een andere bril naar hem kijken of er toch geen dingen zijn die je wel leuk aan hem vindt. Vraag het ook eens aan collega's of de familie van de cliënt. Zij zien vast wel kwaliteiten in hem die jij niet ziet. Het is goed om op deze manier nadrukkelijk vreugdevolle gevoelens voor de persoon naar boven te brengen, omdat dit gevoelens zijn die je energie geven en je helpen je ook liefdevol voor hem of haar te voelen.

Gevoelens van zorg om een persoon zijn ook een goede voedingsbasis voor liefdevolle gevoelens. Als we lijden bij iemand zien kunnen we ons daar zorgen om maken. Het is belangrijk om het lijden van de ander dan niet vanuit een quasi professionele afstandelijke blik te zien en te beoordelen, maar om je als mens voor te stellen wat het zou zijn om je zo te voelen als de cliënt zich wellicht voelt. Het is hierbij wel zaak om je niet in verdriet mee te laten zuigen - om niet mee te lijden - maar om vanuit je zorgen om de cliënt te besluiten tot ondersteunend handelen over te gaan.

Irritatie en boosheid zijn gevoelens die tussen jou en de cliënt staan en die het moeilijk voor je maken om je liefdevol te voelen. We moeten dus een manier vinden om van deze gevoelens van irritatie of boosheid af te komen. Dat lukt niet door ze weg te drukken vanuit de gedacht dat we niet boos of geïrriteerd mogen zijn. Wegdrukken van deze gevoelens helpt niet, omdat ze onder de oppervlakte toch blijven bestaan. Bovendien kost deze manier van werken met je emoties je veel energie. De kunst is om deze gevoelens te laten oplossen door op een reële manier naar de oorzaak te kijken. We raken zelden geïrriteerd of boos op een cliënt als hij iets doet waarvan we zeker weten dat hij dat uit onmacht doet. We raken boos of geïrriteerd als we denken dat iemand zich bewust negatief gedraagt, als we denken dat hij het doet om ons op de kast te jagen, dat we denken dat hij bewust teamleden uitprobeert of tegen elkaar uitspeelt, enz. Als we goed naar de cliënt kijken en we zien zijn werkelijke cognitieve en sociaal-emotionele mogelijkheden of we zien het trauma van waaruit hij handelt, dan zien we in dat er geen sprake is van bewust handelen, maar dat de cliënt handelt vanuit onmacht.

Door naar de onmacht te kijken, kunnen we onze boosheid of irritatie loslaten en in plaats daarvan gevoelens van zorg en vervolgens liefdevolle gevoelens voor de persoon de ruimte geven.
Behalve irritatie en boosheid kunnen ook gevoelens van onmacht tussen jou en de cliënt komen en je belemmeren in het ontwikkelen van liefdevolle gevoelens voor de cliënt. Gevoelens van onmacht kunnen veroorzaakt worden als je ziet dat je de problemen van de cliënt niet kan oplossen of dat je er alsmaar niet achter komt wat de problemen precies zijn. Gevoelens van onmacht kunnen omslaan in boosheid naar de cliënt of boosheid naar jezelf. Je gaat de cliënt veroordelen omdat hij jou de ruimte niet geeft om je werk goed te doen of je gaat jezelf veroordelen omdat je vindt dat je je werk niet goed doet. Een van de eerste dingen die we als hulpverlener moeten leren is om te gaan met onze onmacht. We moeten leren dat het bij het leven en bij het begeleiden van mensen met bijzondere kwetsbaarheden hoort dat we - helaas - niet alle problemen kunnen oplossen. Pas als we onze eigen onmacht kunnen accepteren, kunnen we ons weer volledig open stellen voor de ander.

Share

Copyright © 2013  Gentle Teaching Netherlands