Gentle Teaching

 

kwal-van-leven

 

Een beeld over Gentle Teaching.

Over wat Gentle Teaching is bestaan veel verschillende beelden. Er bestaat het beeld dat het een techniek is die vooral bestemd is voor mensen met ernstige gedragsproblemen, er bestaat een beeld dat het een zachte omgangsvorm is zonder veel structuur, er bestaat het beeld dat het iets is wat we allemaal al doen want we zijn immers aardige mensen en goede hulpverleners. Veel beelden hebben een kern van waarheid, maar de meeste beelden zijn nog onvolledig. Met deze tekst willen we een zo volledig mogelijk beeld schetsen van wat Gentle Teaching is, wat de achterliggende gedachte is, voor wie het bestemd is en wat het betekent om ermee te werken. Het is niet mogelijk om alle ins en outs van gentle teaching in een korte tekst te beschrijven, maar hopelijk is deze tekst voldoende om u een goed beeld te geven over Gentle Teaching en u te inspireren zich er verder in te verdiepen.
Laten we maar bij het begin beginnen.

Companionship

Ieder mens verlangt ernaar zich veilig en geliefd te voelen; ieder mens verlangt ernaar zijn liefde naar anderen te kunnen uiten en met hen in relatie te staan. Dit verlangen kan gezien worden als een basisverlangen die hoort bij het mens-zijn. Het geldt voor kinderen, volwassenen, ouderen, mensen in de geïndustrialiseerde wereld, mensen die wonen in ontwikkelingslanden, mensen met een handicap of een chronische ziekte, daklozen, mensen die verslaafd zijn aan drugs, gevangenen, enzovoort. leder mens verlangt naar relaties met anderen waarin hij zich veilig en geliefd voelt, waarin hij zijn eigen gevoelens van liefde kan delen en waarin hij zich met de ander verbonden voelt. Deze bijzondere relatie hoef je natuurlijk niet met alle mensen in je omgeving te hebben; het is al voldoende als er enkele mensen in je naaste omgeving zijn waarmee je een dergelijke relatie hebt.

Het gevoel dat een dergelijke relatie bij je oproept, wordt bij GentIe Teaching een gevoel van "companionship" genoemd. Dit woord is afkomstig van de Latijnse woorden com en panis, die respectievelijk samen en brood betekenen. Letterlijk betekent companionship dus het "delen van brood" of in andere woorden "het delen van het bestaan". Companionship duidt dus op een bijzondere relatie die onvoorwaardelijk is en die bestaat uit de eerder genoemde vier elementen:

  • - je geliefd voelen
  • - je eigen gevoelens van liefde kunnen delen
  • - je veilig voelen
  • - je met elkaar verbonden voelen

Liefde

Als we het hier hebben over het woord "liefde", bedoelen we niet de liefde tussen twee levenspartners waarbij ook samenleven en een seksuele relatie aan de orde zijn. We denken aan een meer spirituele vorm van liefde die in de basis van ons mens-zijn verankerd is. We hebben allemaal de behoefte deze vorm van liefde te ontvangen en we hebben het allemaal in ons deze liefde te geven. Misschien is het te vergelijken met de liefde die ouders voelen voor hun kinderen: een onvoorwaardelijke liefde. Een liefde die niet overgaat als het kind iets doet wat eigenlijk niet mag en dus niet van het gedrag van het kind afhankelijk is. Vandaar het woord onvoorwaardelijk.

Een natuurlijk proces

De meeste mensen kennen het gevoel van companionship wel en ze ervaren dit gevoel ook voldoende om hen te ondersteunen in het dagelijks bestaan. Als alles goed gaat, ontwikkelt dit gevoel zich al in de eerste kinderjaren in de relatie tussen het kind en de ouders. Spelenderwijs leert het kind dat het zich bij de ouders veilig kan voelen en dat de ouders van haar houden. Het kind leert zelf ook gevoelens van liefde te delen: het leert te lachen, kusjes geven, knuffelen, enzovoort. Ook leert het kind zich op een natuurlijke wijze verbonden te voelen met de ouders. Het wordt door de ouders geholpen, het kijkt wat de ouders doen en probeert het na te doen omdat het gevoelsmatig weet dat het goed is om van de ouders te leren. We kennen deze fase in de ontwikkeling van het kind als de hechtingsfase. Als deze fase goed is verlopen heeft het kind geleerd vertrouwen in zichzelf en de mensen in haar naaste omgeving te hebben en er is een stevige basis voor het kind om zich verder te ontwikkelen. Als er in het verdere leven geen dramatische ontwikkelingen plaats vinden, zal deze basis blijven bestaan en zal het kind of de latere volwassene ook in staat zijn in relatie met andere mensen het gevoel van companionship te ontwikkelen.

Niet iedereen heeft echter dit geluk. Bij sommige kinderen gaat het al direct na de geboorte niet goed met de ontwikkeling van de relatie met de ouders. Dit kan het gevolg zijn van een handicap of aandoening waarmee het kind geboren wordt, er kan zich kort na de geboorte iets dramatische voordoen met het kind of de ouders kunnen door bijzondere omstandigheden niet in staat zijn de hechting met het kind te ontwikkelen. Als in de eerste jaren het gevoel van companionship bij een kind niet goed ontwikkeld wordt en er ook in latere jaren geen nadrukkelijke aandacht aan wordt besteedt, kan dit tot gevolg hebben dat het kind nooit het gevoel van companionship in de nabijheid van andere mensen zal ervaren.
Ook als het in de kinderjaren wel goed gegaan is, is dat geen garantie dat het gevoel van companionship altijd zal blijven bestaan. Het kan door verschillende oorzaken verloren raken: een traumatische ervaring in het contact met mensen bijvoorbeeld door seksueel misbruik of fysiek geweld, een niet aangeboren hersenletsel, een op latere leeftijd ontstane psychische ziekte, regelmatig verstoten of afgewezen worden door de samenleving als gevolg van drugsgebruik, enzovoort.

De vicieuze cirkel

Mensen die het gevoel van companionship niet ervaren, leven in een emotioneel isolement en in een voor hen onveilige wereld. Ze hebben geen verbinding met andere mensen waar ze zich in hun ontwikkeling op kunnen richten en zijn genoodzaakt zelf een manier te vinden om het hiaat dat er is op te vullen. Als dit dan gebeurt op een manier die de omgeving niet accepteert, leidt dat weer tot een verdere verwijdering en een dieper isolement dat uiteindelijk resulteert in diverse vormen van bijzonder gedrag, zoals agressie, automutilatie, vermijden van contacten, stereotype gedragingen, schreeuwen, enz.

Helaas hebben we in ons leven meer geleerd naar de uiterlijke vorm te kijken, dan naar de inhoud die daar onder ligt. Dat geldt bijna voor alle aspecten in ons leven en dus ook voor de menselijke relaties. Als we zien dat iemand heel vaak onze aandacht vraagt, zien we dit als claimen en zien we niet zijn behoefte om gezien en geliefd te worden; als iemand zich agressief uit zeggen we dat hij anderen schade wil toebrengen en zien we niet de angst en onzekerheid die voor de persoon aanleiding zijn voor de agressie. Op deze manier zijn tal van voorbeelden te geven waarbij we een oordeel vellen over een persoon op basis van wat we hem zien doen in plaats van op basis van wie hij is en hoe hij zich in het leven voelt staan. En dit beeld bepaalt onze reactie naar hem. We komen op die manier samen met hem in een vicieuze cirkel waarin we steeds verder van elkaar verwijderd raken.

Een andere wending

Gentle teaching geeft hier een andere wending aan. Met gentle teaching willen we bewust een proces op gang brengen waarin de verwijdering doorbroken wordt en de persoon leert zich (weer) veilig en geliefd bij ons te voelen: we willen haar het gevoel van companionship leren ervaren. Gentle teaching kan gedefinieerd worden als een leerproces waarin we de ander leren een gevoel van companionship te ervaren. De leermiddelen die we in dit leerproces gebruiken zijn onze dagelijkse communicatiemiddelen: onze handen, onze stem, onze gelaatsuitdrukking en onze aanwezigheid. Het is belangrijk dat we deze middelen zo gebruiken dat de ander het niet als overheersend kan ervaren. Dat betekent dat, ongeacht wat ze doet, we onze handen niet gebruiken om vast te pakken, gebiedende gebaren te maken of te slaan; dat we onze stem niet gebruiken om bestraffend toe te spreken of te schreeuwen; dat we onze gelaatsuitdrukking niet gebruiken door boos of afwijzend te kijken; dat we onze aanwezigheid niet gebruiken om te imponeren en angst in te boezemen. Het moeilijke daarbij is dat het er niet eens om gaat of we het zelf zo bedoelen, maar dat het erom gaat of de ander het zo ervaart. We kunnen met goede bedoelingen iemand beet pakken als ze automutileert of een ander wil slaat, maar ze dat als overheersend ervaren. Dit komt omdat ze onze handeling beoordeelt op basis van haar eigen ervaringen in het leven en door haar emoties van het moment niet in staat is onze intenties te zien.

Houding en methode

Gentle teaching is zowel een houding als een methode. Met houding wordt bedoeld dat we de uitgangspunten van gentle teaching volledig proberen te integreren in onze dagelijkse omgang met de mensen met wie we werken. In een normale ouder-kind relatie gebeurt dit spontaan en zonder na te denken. In de hulpverlening aan mensen die in kwetsbare posities verkeren, zullen we dit bewuster moeten doen. Het is dan goed als we ons er continu bewust van zijn dat iedere interactie een moment is waarop de ander van ons leert. Als zij ons op dat moment als liefdevol en betrokken ervaart, leert zij het gevoel van companionship ervaren; als ze ons op dat moment als overheersend of afwijzend ervaart, leert ze zich verder van ons af te keren. Het is zo simpel als het klinkt.

Er zijn mensen die zo kwetsbaar zijn en die zich in zon emotioneel isolement bevinden, dat we er alleen met een bewuste houding niet komen. Bij deze mensen moeten we Gentle Teaching meer als methode gaan toepassen. Dat wil zeggen dat we speciale leersessies kunnen inrichten waarin we de ander nadrukkelijk en systematisch leren zich bij ons veilig en geliefd te voelen en waarin we haar leren haar eigen liefde naar ons te uiten en zich met ons verbonden te voelen. Deze leermomenten kunnen apart ingepland worden en eventueel in aparte ruimtes plaats vinden,maar het is vaak ook mogelijk deze nadrukkelijke momenten van leren in te passen in de dagelijkse werkzaamheden.

Leermiddelen

Gentle teaching is een proces waarin we de ander nadrukkelijk willen leren zich bij ons veilig, geliefd, liefdevol en verbonden te voelen. Zoals bij elk leerproces, worden ook bij dit leerproces leermiddelen gebruikt.
Deze leermiddelen zijn altijd beschikbaar. Het zijn

  • onze handen
  • onze ogen
  • onze stem
  • onze aanwezigheid

Het is belangrijk dat we ons bewust zijn hoe we deze middelen gebruiken. De kans is groot dat de ander negatieve herinneringen heet aan de manier waarop dezelfde middelen gebruikt zijn in het verleden. Zeker op momenten van stres, angst of onzekerheid. Deze oude herinneringen moeten we vervangen door nieuwe - positieve - herinneringen. Dat betekent dat we onze handen, stem en ogen nadrukkelijk op een warme en ondersteunende manier gebruiken. In het begin kan de ander nog afwijzend reageren op onze pogingen op deze manier contact te maken. Deze reactie komt voort uit zijn ontwikkelde angst voor anderen, en is meestal geen bewuste keuze om geen contact te willen.
Ten aanzien van onze aanwezigheid geldt dat we ons niet alleen bewust moeten zijn van onze fysieke aanwezigheid, maar vooral van onze mentale aanwezigheid. We moeten leren volstrekt open te zijn, geen (voor)oordelen te hebben en niets anders van de ander te willen dat in het moment bij elkaar te kunnen zijn.

De psychologie van wederzijdse afhankelijkheid

Gentle Teaching is meer dan alleen een benaderingswijze voor mensen in kwetsbare posities. Het is praktische vormgeving van een visie op mensen waarin de gedachte centraal staat dat ieder mens ten diepste verlangt naar het ervaren van companionship en dat mensen samen in een gemeenschap met elkaar vorm geven aan het leven. De Amerikaan John McGee heeft deze visie uitgewerkt in wat hij noemt de Psychology of interdependence. In het Nederlands vertaald als de psychologie van wederzijdse afhankelijkheid.
McGee heeft na zijn middelbare school een aantal jaren in de sloppenwijken van Brazilië gewerkt met mensen die door de samenleving verstoten waren. Daar is hij onder de indruk gekomen van de sterke, onvoorwaardelijke band die tussen mensen bestaat binnen deze gemeenschap van uitgestotenen en de mensen letterlijk bij elkaar houdt. Zonder het onderlinge gevoel van companionship zouden deze mensen geen mogelijkheid hebben zich als mens te ervaren en te ontwikkelen.

Tevens kwam McGee in Brazili in contact met de gedachten van de bevrijdingstheologie. Deze beweging in de kerken in de derde wereld ging er van uit dat je een volk niet kan helpen door Westerse normen en waarden op te leggen en de Westerse economie te introduceren, maar dat een volk in de derde wereld alleen geholpen kan worden door op voet van gelijkheid je hulp aan te bieden en de eigen kwaliteiten en potenties van het volk te ondersteunen.

Dit gedachtengoed heeft McGee vertaald in de psychologie van wederzijdse afhankelijkheid. Je kan iemand die zich geïsoleerd voelt niet helpen door hem onze normen en waarden op te leggen, maar door je als gelijkwaardig op te stellen, een onvoorwaardelijke band met hem te ontwikkelen en je hulp aan te bieden zodat hij zijn eigen kwaliteiten tot ontplooiing kan brengen.
Na zijn terugkeer in de VS is McGee gaan werken in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap. Toen nog in de klassieke instellingen waar met behulp van strenge behavioristische principes gewerkt werd. McGee zag daar veel geweld tussen cliënten en begeleiders en wilde hier een einde aan maken. Dit was de reden om zijn ervaringen, opgedaan in Brazilië, verder uit te werken in de psychologie van wederzijdse afhankelijkheid en Gentle Teaching.

Wederzijdse afhankelijkheid

Het begrip wederzijdse afhankelijkheid is belangrijk genoeg om nog even bij stil te staan. We zijn vaak sterk geneigd ons zelf als een onafhankelijk individu te zien. We zijn wie we zijn, los van de mensen om ons heen. In de hulpverlening is het zelfs een breed gedragen opvatting dat we mensen moeten helpen onafhankelijk te worden.

Het is echter een illusie dat mensen zich onafhankelijk van anderen kunnen ontwikkelen en ontplooien. Ieder mens is gedurende zijn hele leven min of meer afhankelijk van anderen. Als we praten over het functionele niveau, het niveau van het concrete handelen, kan onafhankelijkheid een goed streven zijn. Het kan een meerwaarde voor iemand hebben als hij zelf zijn zaken kan regelen en zichzelf goed kan verzorgen. Maar zelfs op dit functionele niveau zien we dat iedereen op gezette tijden hulp van anderen nodig heeft.

In veel activiteitencentra worden werkzaamheden zo ingericht dat de mensen hun werk zo 'zelfstandig' mogelijk kunnen uitvoeren. Dat wil zeggen dat ze daarbij geen hulp van anderen nodig hebben. Zelden worden werkzaamheden zo georganiseerd dat samenwerken en elkaar helpen juist gestimuleerd wordt. Deze manier van organiseren ie gebaseerd op de gedacht dat het goed is voor het zelfvertrouwen om alleen te presteren. Dit is echter een onjuiste gedachte.\

Als je een taak alleen uitvoert, ontwikkel je je vaardigheden
Als je samenwerkt en elkaar helpt, ontwikkel je je ZELF

Op basis van een sterk ZELF dat zich verbonden voelt met anderen, komt vanzelf de behoefte en de kracht om de eigen kwaliteiten en dromen tot ontwikkeling te brengen. Vergelijkbaar met een zaadje dat in vruchtbare grond uitgroeit tot een bloem.

Professionaliteit

Geregeld wordt de vraag gesteld of het wel past bij een professionele werkhouding om een persoonlijke relatie met een cliënt aan te gaan. Het is immers je beroep en je moet de emoties niet van je werk mee naar huis nemen. Bovendien wordt verwacht dat je verstandige beslissingen neemt die niet op emoties gebaseerd zijn maar op wat je in je opleiding geleerd hebt.
Ons antwoord op die vraag is dat als een cliënt het nodig heeft dat je een persoonlijke relatie met haar aangaat, het juist professioneel is om dit te doen. Het is onprofessioneel om aan deze behoefte niet tegemoet te komen onder het mom dat het niet past in de werkverhouding.

Wel is het belangrijk dat je als begeleider bij het naar huis gaan het contact met de cliënt goed af rondt. Naar de cliënt toe betekent dit dat je laat weten dat je vertrekt en wanneer je weer terugkomt, zodat je niet ineens uit het gezichtsveld verdwenen bent. Dat doe je bij andere vrienden ook niet. Voor jezelf betekent het dat je eventuele emoties die ontstaan zijn in het contact dat je met de cliënt hebt gehad een plek geeft voor je naar huis gaat. Dit kan door even de tijd te nemen om er voor jezelf bij stil te staan of door er met collega’s over te praten.
Het is overigens een illusie dat het niet aangaan van een relatie met een cliënt geen emoties met zich mee brengt. Ieder contact roept gevoelens op en als je daar geen ruimte aan kan of mag geven in het werk, zal dat zich vroeg of laat wreken. Zeker als er regelmatige is van spannende momenten.

Gentle Teaching in instellingen.

Een vraag die met name in de zorg voor mensen met een verstandelijke handicap vaak wordt gesteld, is of Gentle Teaching niet haaks staat op het leven in relatief grote groepen, veelal nog op instellingsterreinen en met wisselende groepsleiding. Natuurlijk is de meest ideale situatie voor iemand met een verstandelijke handicap dat hij in een gezinssituatie woont in de samenleving.

Ook is dit een situatie waarin werken met Gentle Teaching het best past. De realiteit is echter dat deze woonvorm voor veel mensen niet is weggelegd. Het kan zijn dat de ouders niet meer in staat waren hun kind thuis te houden of dat het kind zelf te kennen gaf het ouderlijk huis te zijn ontgroeid, het kan zijn dat de samenleving te complex en risicovol is voor een persoon met een (verstandelijke) handicap om zich daar te kunnen ontplooien, het kan zijn en dat is meestal het geval dat er domweg te weinig middelen zijn om de mensen met een verstandelijke handicap in een kleine woonvorm en binnen de samenleving voldoende tot hun recht te laten komen. Feit is dat veel mensen in instellingen wonen en vaak in te grote groepen. Feit is ook dat veel van deze mensen geen gevoel van companionship ervaren en dat we daar iets aan kunnen doen; met alle beperkingen die de situatie met zich meebrengt. Door niets te doen helpen we deze mensen helemaal niet.

Het is belangrijk dat we bij het ontwikkelen van companionship rekening houden met de omstandigheden waar we werken. Dat betekent onder meer dat het goed is als meerdere begeleiders met een persoon companionship tot stand proberen te brengen en ook dat geprobeerd wordt andere groepsgenoten in de cirkel van companions te betrekken. Op die manier verbreden we het gevoel van companionship en maken we de persoon minder afhankelijk van het vertrek van een individuele begeleider.

Levenskwaliteit

Hoewel het ervaren van companionship een wezenlijke voorwaarde is om inhoud te geven aan het leven, bestaat het leven uit meer. Er zijn meer factoren die uitmaken of we een goede kwaliteit van leven ervaren en het is dan ook belangrijk dat we hier in het kader van Gentle Teaching aandacht aan schenken. Als we companionship met de persoon ontwikkeld hebben, kunnen we haar vanuit die relatie ondersteunen bij het realiseren van haar algemene levenskwaliteit. We gaan hierbij niet uit van algemene maatschappelijke normen en waarden ten aanzien van levenskwaliteit, maar we kijken naar wat de persoon zelf met haar leven wil en hoe ze dit vorm wil geven.

In het kader van Gentle Teaching is hiervoor een model ontwikkeld waarbij levenskwaliteit gezien wordt als de vertaling van een achttal basiswaarden, waar iedereen zijn eigen inkleuring aan geeft en die ten grondslag liggen aan de min of meer concrete doelen in het leven en de keuzen die we dagelijks maken.

Basiswaarden

We onderscheiden de volgende basiswaarden:

- je lichaam positief ervaren
- verbonden voelen
- een positief zelfbeeld hebben
- liefdevolle relaties hebben
- houvast ervaren
- je veilig voelen
- zingevende activiteiten hebben
- innerlijke rust ervaren

Al ons handelen is in wezen gericht op het willen realiseren van een prettige ervaring ten aanzien van deze basiswaarden en het totaal aan deze ervaringen bepaalt of we tevreden zijn over onze levenskwaliteit of niet. Dat wil niet zeggen dat iedere basiswaarde even belangrijk is; ook niet dat er voor iedereen een vaste volgorde is in welke basiswaarde belangrijker is dan de andere. Iedereen heeft andere levenservaring en iedereen heeft daardoor een eigen patroon ontwikkelt in wat meer of minder belangrijk is. Ook is dit patroon niet constant. Het ontwikkelt zich niet alleen in de loop der jaren als gevolg van de persoonlijke ontwikkeling, maar het kan ook tijdelijk beïnvloed worden door bijzondere omstandigheden, zoals ziekte, het verlies van een partner, het verlies van een baan, enzovoort.

Van basiswaarden naar concrete verlangens

Het willen realiseren van deze acht basiswaarden ligt ten grondslag aan de keuzen die we maken en ons dagelijks gedrag. In onze gedachten zijn we echter zelden met deze basiswaarden zelf bezig. We denken veel meer in concrete verlangens die we willen realiseren. Deze verlangens zijn echter wel gebaseerd op de basiswaarden. Deze concretisering ziet er bijvoorbeeld als volgt uit:

  • Je lichaam positief ervaren: gezond zijn, een goede conditie hebben, goed gevoed zijn, goed gekleed zijn, niet gefrustreerd worden door eventuele lichamelijke handicaps, je lichaam mooi vinden, enzovoort
  • Verbonden voelen: verbonden voelen met de omgeving waarin je leeft, een vriendenkring hebben, deel nemen aan culturele en maatschappelijke activiteiten, gebruik maken van algemene voorzieningen, niet uitgesloten zijn
  • Een positief zelfbeeld hebben: trots zijn op wat je doet, complimentjes willen krijgen, gezien worden als een individu, privacy hebben, eigen bezittingen hebben,
  • Liefdevolle relaties hebben: een sterke band met enkele mensen ervaren, een groepje mensen om je heen hebben dat zich om je bekommert, dat van je houdt en waar je zelf van kan houden, waar je je emoties kan uiten, zoals liefde, boosheid, verdriet en waar je seksuele gevoelens mee kan delen,
  • Houvast ervaren: iemand hebben die je steunt, een dagelijks ritme hebben, weten wat er gaat gebeuren in de nabije toekomst, een persoonlijk toekomstbeeld hebben, in staat zijn je religie te beleven en persoonlijke rituelen te uiten,
  • Zingevende activiteiten hebben: werk hebben dat belangrijk voor je is, naar school gaan, activiteiten hebben tussen anderen mensen, activiteiten hebben die passen in je levensplan,
  • Je veilig voelen: niet bedreigd voelen, niet bang zijn dat je gevaar loopt, weten dat er mensen zijn die je beschermen en helpen, je geen zorgen hoeven maken over je overlevingsmogelijkheden
  • Innerlijke rust ervaren: zelfvertrouwen hebben, jezelf zeker voelen, in staat zijn "emotionele" tegenvallers te verwerken, je emoties goed kunnen uiten, geen last hebben van traumatische herinneringen.

Gewenst of ongewenst gedrag?

De meeste mensen hebben ten aanzien van alle acht basiswaarden concrete verlangens die ze op een goede manier weten te realiseren. Misschien niet alles volledig, maar er blijft genoeg over om een positieve levenskwaliteit te kunnen ervaren. In de manier waarop we onze verlangens willen realiseren kunnen we dan ook rekening houden met wat mensen in de omgeving daarvan vinden.

Voor sommige mensen ligt dat echter niet zo eenvoudig. Als je door een handicap of aandoening of door je leefomstandigheden niet in staat bent geweest een evenwicht patroon van verlangens te ontwikkelen, heb je in je gedrag minder keuzen en kan het eerder voorkomen dat je in het willen realiseren van de verlangens die er wel zijn tot een gedrag komt dat door de omgeving als ongewenst wordt gezien. Als bijvoorbeeld om de een of andere reden het krijgen van persoonlijke aandacht heel erg belangrijk voor je is, zal je van alles doen om deze aandacht te krijgen. De manier waarop je het uiteindelijk doet kan door mensen in de omgeving als ongewenst worden ervaren en ze kunnen besluiten je te negeren of te straffen voor je gedrag. Hierdoor zal je behoefte aan aandacht echter niet afnemen; eerder toenemen omdat je het gevoel hebt niet gezien te worden. Je zal dus nog meer uit de kast halen om de gewenste aandacht te krijgen.
Helpen realiseren van de verlangens.
Bij Gentle Teaching praten we daarom niet over ongewenst gedrag. We zien het gedrag voor wat het is; een manier om invulling te geven aan een basiswaarde van levenskwaliteit. Als we last hebben van het gedrag, of we zien dat de persoon zelf er last van heeft, zijn onze pijlen dan ook niet gericht op het gedrag met als doel dat te veranderen, maar op de vraag hoe we de persoon kunnen helpen / leren zijn legitieme verlangen naar levenskwaliteit op een andere wijze te realiseren.

Als blijkt dat iemand nauwelijks verlangens bij de verschillende basiswaarden heeft ontwikkeld, of alleen verlangens die niet op een normale manier te realiseren zijn, kan dat ook betekenen dat we haar helpen nieuwe verlangens te ontwikkelen die wel gemakkelijk te verwerkelijken zijn. We kunnen dit doen zonder te overheersen, te disciplineren of te straffen door op basis van de relatie die we met haar hebben, haar te ondersteunen in het ontwikkelen van haar eigen kwaliteiten en het benutten van de mogelijkheden die in de omgeving voor handen zijn.

Is Gentle Teaching de oplossing voor alle problemen?

Gentle teaching kan voor alle mensen, ongeacht de specifieke problemen waar mee te maken hebben een waardevolle bijdrage leveren in de ontwikkeling van een goede levenskwaliteit. Gentle Teaching kan echter niet alle problemen oplossen. Iemand die hallucineert kunnen we wel de zekerheid geven dat we er altijd voor hem zullen zijn, maar we kunnen haar hallucinaties niet wegnemen. Hetzelfde geldt voor iemand die autistisch is. Ook iemand die autistisch is heeft behoefte aan menselijk contact, maar vanuit zijn autisme zal ook hij altijd behoefte hebben aan een duidelijke ondersteunende structuur. Zo geldt dit voor meer verschillende problemen: gentle teaching biedt een basis in het bestaan, maar kan niet alles oplossen. Het is daarom belangrijk om bij mensen met bijzondere problemen te kijken welke specifieke benadering daar, naast gentle teaching, voor gebruikt kan worden. Werken met Gentle Teaching sluit de meeste andere benaderingen niet uit. In tegendeel: n plus n is drie als we het goed combineren.

Willen we dit en kunnen we dit?

Na het lezen voor de uitgangspunten van Gentle Teaching en het ondersteunen van levenskwaliteit, komt logischerwijze de vraag naar voren of we dit ook allemaal kunnen. Zijn we in staat om met iedere cliënt waarmee we te maken hebben companionship te ontwikkelen? Willen we het eigenlijk wel? Sommige mensen vinden we nu eenmaal aardiger dan anderen; er zijn zelfs mensen waar we een afkeer voor voelen, ook al weten we dat ze daar zelf niets aan kunnen doen. Dit zijn zeer begrijpelijke twijfels die ontstaan bij het nadenken over de vraag of we Gentle Teaching in onze dagelijkse praktijk als begeleider / hulpverlener kunnen integreren.
De vraag of we met alle cliënten willen werken op basis van Gentle Teaching heeft te maken met drie onderliggende vragen:

- zijn we voldoende gemotiveerd
- vinden we dat het bij ons past
- beschikken we over de goede vaardigheden

Zijn we voldoende gemotiveerd?

De motivatie om met Gentle Teaching te werken komt voort uit de overtuiging dat ieder mens verlangt naar het ervaren van companionship. Als we vervolgens zien dat de mensen met wie we werken dit gevoel niet of onvoldoende ervaren, kunnen we niet veel anders dan constateren dat hier iets ligt om aan te werken. Het zou vreemd zijn als we als hulpverlener zon essentieel hiaat bij iemand zien en vervolgens stellen dat we hier niet mee hoeven te doen.
Om te zien of mensen werkelijk een gevoel van companionship ervaren, moeten we in veel gevallen wel op een andere manier leren kijken naar onze cliënten. We moeten niet alleen functioneel kijken naar wat iemand wel of niet kan, maar we moeten leren kijken naar hoe iemand zich voelt. Dit kan door gebruik te maken van speciaal daarvoor ontwikkelde observatielijsten, maar beter nog door te proberen zich gewoon in de persoon te verplaatsen: hoe zou ik me in die situatie voelen?

Past het bij ons?

Als we de motivatie hebben om te starten, stuiten we op de vraag of het wel bij ons past. Kunnen we iedereen waar we mee te maken hebben de liefde geven die ze nodig hebben. Kunnen we over onze eventuele weerstanden tegen een persoon heen stappen?.
Hiermee komen we op de essentie van Gentle Teaching. Bij Gentle Teaching gaat het er niet om dat we de ander veranderen. Het gaat er om dat we samen veranderen en als regel zullen we daar zelf mee moeten beginnen, We moeten ontdekken wat onze weerstanden zijn en als we dat gedaan hebben kunnen we leren deze te overwinnen. Vaak zit in het ontdekken de overwinning al ingesloten. Als we zien wat de weerstand werkelijk is, zien we het relatieve daarvan ook. De weerstanden zitten vaak in denkbeelden die we hebben dat mensen zich met opzet niet goed gedragen, dat ze beter zouden moeten weten, dat ze zich naar onze normen moeten gedragen terwijl ze daar emotioneel niet toe in staat zijn. Ook denkbeelden dat je iemand nu eenmaal moet straffen als hij iets verkeerd gedaan heeft, ook al lezen we in zijn dossier dat hij al meerdere jaren zonder resultaat dezelfde straf voor het gedrag krijgt.

Het onderzoeken en wegnemen van weerstanden naar de ander is een stap. De andere is om beter te kijken naar wie we werkelijk zijn. Vaak hebben we zelf nauwelijks toegang tot wie we werkelijk zijn. We zien niet dat we in ons een kern hebben waar een enorme kracht van uit gaat en waarmee we aan de andere de liefde geven die hij nodig heeft. Om dit bij onszelf te ontdekken moeten we bereid zijn onszelf kwetsbaar op te stellen. Als we dat kunnen ontstaat de openheid die nodig is om met Gentle Teaching te kunnen werken. Iedereen heeft die mogelijkheid in zich.

Beschikken we over de juiste vaardigheden?

De goede motivatie en de goede persoonlijkheid zijn belangrijk om het Gentle Teaching te werken, maar er zijn ook vaardigheden nodig. Vaardigheden in het op de goede manier kijken naar de cliënt en naar jezelf, maar ook vaardigheden in het overwinnen van weerstanden bij jezelf en de cliënt. Zeker in die situaties waarbij Gentle Teaching als methode nadrukkelijk wordt toegepast, is het belangrijk dat je ook werkelijk methodisch te werk gaat en dat je weet op welke wijze je een leersessie opzet en evalueert, hoe je je handen, ogen, gelaatsuitdrukking en aanwezigheid als leerinstrumenten gebruikt en welke valkuilen je tegen kan komen. Belangrijke vaardigheden die iedereen die er gevoel voor heeft kan leren.
Randvoorwaarden
In principe gaat het bij Gentle Teaching om de relatie tussen een hulpverlener en een cliënt en de keuze die de hulpverlener maakt om Gentle Teaching als houding of methode te gebruiken. Er zijn hulpverleners die in staat zijn dit te doen onder werkomstandigheden die verre van ideaal lijken. Ze kunnen dit in een omgeving die hun keuze niet deelt en ook niet actief ondersteunt. Er zijn betere situaties denkbaar. Wenselijk is het als het werken met Gentle Teaching door het hele team onderschreven wordt en dat teamleden elkaar ondersteunen en regelmatig feedback geven waardoor ze zich verder kunnen ontwikkelen.

Ook is het wenselijk als de cultuur en structuur van de organisatie het werken met Gentle Teaching ondersteunen. Dat betekent bijvoorbeeld dat een team voldoende vrijheid moet hebben om prioriteiten te stellen en het werk in te delen, zonder geremd te worden door centrale regels en protocollen of een beknellende bureaucratie. Het betekent ook dat in de cultuur van de organisatie ook de medewerkers zelf als belangrijke mensen gezien worden die zich in hun werk geliefd en veilig moeten kunnen voelen. Niet alleen in relatie met hun cliënten, maar ook in relatie met collega’s, leidinggevenden, ondersteunende diensten, enzovoort.

Tot slot is het goed als de instelling bereid is te investeren in opleidingen en trainingen. Hoewel Gentle Teaching in wezen niet veel meer is dan in het werk toepassen van wat in een opvoedingsrelatie met kleine kinderen heel normaal is, toont te praktijk dat er toch iets meer voor komt kijken dan gewoon beginnen. Vooral het maken van de goede start vraagt een gedegen voorbereiding.

Share

Copyright © 2013  Gentle Teaching Netherlands