De persoonlijke ontwikkeling van de begeleider

Om een goede relatie met iemand te ontwikkelen is meer nodig dan inzicht in wie de persoon is en goede communicatievaardigheden. Een relatie moet vanuit jezelf komen. Met sommige mensen voel je vanzelf een klik, bij anderen voel je misschien weerstand in je opkomen.We denken meestal dat dat aan de ander ligt, maar daarin hebben we het mis. Als je iemand niet aardig vindt, zijn er vast wel anderen die hem wel aardig vinden. Het zegt dus niet veel over de ander, maar meer over hoe je de ander ziet en wat dat bij je oproept.

Soms zal je dus met jezelf aan de slag moeten gaan om een goede relatie met iemand te ontwikkelen die aan je zorg is toevertrouwd. Dit 'werken aan jezelf' kost natuurlijk tijd en energie, maar bedenk dat jezelf degene bent die misschien wel het eerst profiteert van je ontwikkeling. Het is gewoon fijner om te werken met mensen die je aardig vindt, dan met mensen die weerstand in je oproepen.

Terug naar wie je eigenlijk bent

Moet je dan een ander iemand worden? Moet je een ander karakter ontwikkelen? Dat lijkt soms zo, maar het is niet zo. Het is eerder een kwestie van ontdekken wie je werkelijk wilt zijn en in wezen ook bent, en onderzoeken hoe het komt dat je soms anders bent en doet.

Mensen zijn sociale wezens met emphatische vermogens. We zijn van nature zorgzaam voor anderen. Deze kernkwaliteit is ook de kwaliteit op basis waarvan mensen ervoor kiezen om in de hulpverlening te gaan werken. In de dagelijkse praktijk blijkt het echter moeilijk te zijn om altijd vanuit deze kwaliteit te werken. Als dit incidenteel is, is het misschien niet zo'n probleem. Maar als het dagelijks kost wordt, is het wel een probleem. Het kan zich dan uiten in

  • vermoeidheid
  • verlies van motivatie
  • irritatie ten opzicht ven de cliënten
  • ontwikkelen van een klaagpatroon
  • het begin van burnout

We hebben er dus zelf alle belang bij om niet onszelf te laten veranderen door het werk, maar om ons te trainen in weer terug te keren naar wie we eigenlijk -willen- zijn.
Deze training begint met eens goed te kijken de momenten waarop we anders handelen dan we eigenlijk zouden willen.

Gewoontepatronen

Overheersend handelen Ondersteunend handelen

corrigeren
stevig beetpakken
negeren
straffen
eisende stem
dreigend kijken

begeleiden
warm aanraken
aandacht geven
beschermen
kalmerend praten
warm oogcontact

Als je naar deze rijtjes kijkt, zal je zien dat je het liefst ondersteunend handelt, maar dat er (te) veel momenten zijn waarop je overheersend handelt. In wezen handel je op dat moment dus tegen je motivatie in. Dat komt omdat we in de loop van ons leven gewoontepatronen hebben ontwikkeld die tot doel hebben onszelf te beschermen als we ons kwetsbaar voelen. Het zijn ook de gewoontepatronen die veel mensen ontwikkelen en die deel zijn gaan uitmaken van onze cultuur. Daarom vinden we ze doodnormaal en vallen ze nauwelijks meer op. De kunst is om te ontdekken wanneer we terugvallen in deze gewoontepatronen en een manier ontwikkelen om op die momenten toch vast te houden aan wat we eigenlijk zouden willen doen.

Werken met gevoelens en emoties

Het is prettiger om warme gevoelens voor iemand te koesteren en voor hem te zorgen en ondersteuning te bieden, dan je te storen aan het gedrag. Dit is in essentie de meerwaarde die gentle teaching voor hulpverleners kan hebben.

  • vreugde
  • zorg
  • boosheid
  • angst
  • onmacht

We moeten leren op een constructieve manier te werken met de gevoelens die een persoon bij ons oproept. Daardoor kunnen we de onvoorwaardelijke houding realiseren zonder onszelf geweld aan te doen en ontstaat ook meerwaarde voor ons zelf. Gentle teaching maakt hierbij een onderscheid tussen positieve en negatieve gevoelens. Dat is geen waardeoordeel, het heeft te maken met het resultaat van die gevoelens. Is dat positief of negatief?

Positieve gevoelens zijn gevoelens van vreugde of zorg die een persoon bij de hulpverlener kan oproepen. Het zijn gevoelens die de ontwikkeling van companionship ondersteunen, die aanzetten tot zorgzaam handelen. Werken vanuit deze gevoelens sluit aan bij de kernkwaliteiten van de hulpverlener als mens. En bij de motivatie van zijn keuze voor dit werk.

Vreugde

Iedere persoon heeft zijn of haar leuke kanten waar je vreugde aan kunt beleven. Soms bepalen negatieve zaken het beeld echter zo, dat mensen zijn leuke kanten nauwelijks meer zien. Dan is het belangrijk om met elkaar nadrukkelijk iemands leuke kanten te benoemen en beschrijven.

Door anders naar de persoon te kijken, verandert soms de emotie bij een bepaald gedrag. Zo beleef je bijvoorbeeld ‘aandacht vragen’ anders als je het ziet als het gedrag van een iemand die jou nodig heeft om zich gezien en erkend te voelen.

Zorg

Als hulpverleners vanuit oprechte zorg voor een persoon handelen, zitten ze goed in hun kracht. Een gevoel van zorg ontstaat door je in te leven in wat de ander ervaart (empathie). En vervolgens te besluiten wat je kunt doen om de ander te helpen. Niet vanaf een afstand en beschouwend inleven, maar werkelijk vanuit persoonlijke betrokkenheid. De angst dat wat de hulpverlener in het werk tegenkomt, hem overweldigt, is niet nodig. Door de combinatie van invoelen en handelen, voorkomt hij dat het invoelen resulteert in mee-lijden.

Negatieve gevoelens zijn de gevoelens die niet alleen de ontwikkeling van companionship belemmeren, maar die de hulpverlener ook de nodige energie kosten zonder dat er voldoening tegenover staat. De belangrijkste negatieve gevoelens zijn boosheid, angst en onmacht.

De kunst voor de hulpverlener is om deze gevoelens niet te ontkennen of de kop in te drukken, maar om ze toe te laten, ze te onderzoeken en er constructief mee om te gaan. Dit is een leerproces dat vaak met vallen en opstaan verloopt.

Boosheid

Sommige begeleiders vinden dat je alleen echt kan zijn als je de boosheid die je voelt ook daadwerkelijk aan de persoon laat zien. Velen vinden het zelfs goed voor de persoon als hij ervaart dat hij iets niet goed gedaan heeft. Gentle teaching kijkt hier anders tegen aan. Boosheid zal er doorgaans niet toe leiden dat de persoon zijn gedrag kan veranderen. Het maakt hem eerder onzekerder en dat vergroot de kans dat het mis gaat.

Je boos of geïrriteerd voelen, wil niet zeggen dat je altijd ook boos of geïrriteerd hoeft te handelen. Tot tien tellen en de boosheid onderzoeken helpt. De oorzaak is vaak het gedrag en de directe gevolgen daarvan. Bewust of onbewust veronderstellen dat de persoon weet wat hij doet en dat hij in staat is anders te handelen, versterkt de boosheid.

Maar goed kijken, levert wellicht de volgende conclusie op: het gedrag lijkt wel bewust en gericht, maar de oorsprong ligt toch in de beperkte sociaal emotionele of psychische mogelijkheden van de persoon. De focus richten op de problemen die de persoon ervaart en zijn onvermogen hier adequaat op te reageren in plaats van op zijn gedrag, zorgt ervoor dat hulpverleners hun boosheid kunnen loslaten. En dat een gevoel van zorg de plaats van boosheid inneemt. De energie van de boosheid wordt omgezet in een zorgzame energie.

Angst

Angst kan zeer reëel zijn. Met name als hulpverleners zich fysiek bedreigd voelen door het gedrag van een persoon. Ook dan is het belangrijk de angst niet te ontkennen of te onderdrukken. Angst en agressie horen niet bij het werk. Angst bewust toelaten, zorgt voor rust in het lichaam. Vanuit die rust kunnen hulpverleners proberen escalatie te voorkomen. Door in te spelen op wat de persoon nodig heeft, in plaats van te anticiperen op de mogelijke agressie. Bovendien kun je vanuit rust er beter voor zorgen dat je jezelf zo goed als mogelijk kunt beschermen.

Onmacht

Onmacht is het meest fnuikende gevoel waar hulpverleners mee te maken kunnen hebben. Het is de natuurlijke neiging van hulpverleners om voor de persoon het goede te wensen. Als zij werken vanuit de betrokkenheid die gentle teaching voorstaat, zal deze wens sterker worden. Het gevolg: meer confronterende situaties vol gevoelens van onmacht. Wat we willen is niet altijd realiseerbaar. Onmacht is de bron van veel irritatie of boosheid ten opzichte van personen. Of we trekken onze eigen capaciteiten als hulpverlener in twijfel. Als de werkomstandigheden de oorzaak zijn van de onmacht richt de irritatie zich op het management of ‘het systeem’. Dat lijkt terecht, maar het schiet niet op. Het kost alleen maar negatieve energie en de omstandigheden gaan er niet op vooruit.

Als het door de problematiek van de persoon niet lukt de problemen op te lossen, dan kunnen hulpverleners beter hun aandacht richten op wat ze wel kunnen doen om het voor de persoon en henzelf zo prettig mogelijk te maken. Meer is niet mogelijk. En dat is soms moeilijk te accepteren. Als de onmacht veroorzaakt wordt door werkomstandigheden is het beter gevoelens van onmacht los te laten als zij de omstandigheden niet via de gewone wegen kunnen verbeteren.

Werken met je emoties is een belangrijk aspect van gentle teaching. Hulpverleners kunnen er beter voor de persoon zijn en het werk wordt en blijft bevredigender. Maar werken met je emoties is makkelijker gezegd dan gedaan. Het vereist een open houding en besef van de voordelen voor zowel jezelf als de persoon. En het is daarom een belangrijk aspect in de gentle teaching trainingen voor hulpverleners.

Gentle Teaching

erkend als goed

onderbouwde 

interventie

 

lees meer